Verslaafd aan vervolgen

Vijftig jaar geleden kwam president Richard Nixon met maatregelen tegen de heroïne en de cocaïne die in steeds meer Amerikaanse steden opdoken. De autoriteiten zijn sindsdien geobsedeerd door het keihard aanpakken van verkopers én gebruikers, maar anno 2021 lijkt een overwinning op het veelkoppige drugsmonster verder weg dan ooit. Wat ging er allemaal fout in de langste oorlog die de VS ooit voerden?

“Je kunt deze ellende niet eens een oorlog noemen: oorlogen eindigen.” Aan het woord is een politie-inspecteur in The Wire, de bekroonde tv-serie over de drugseconomie in de Amerikaanse binnensteden. Hij vat het gevoel samen dat steeds meer Amerikanen krijgen: wanneer is die war on drugs nou eens afgelopen? Een vraag die niet eenvoudig te beantwoorden is. Een halve eeuw na het uitroepen van deze oorlog lijkt een oplossing zelfs verder weg dan ooit.
Drugsproblemen zijn voor de Verenigde Staten overigens niets nieuws. Zo worstelde het land eind negentiende eeuw met een cocaïneplaag in het zuiden, en begin jaren zeventig vormde een andere harddrug een groot probleem: heroïne. Binnen een decennium steeg het aantal gebruikers van 50.000 naar een half miljoen; alleen al de stad New York telde 100.000 junkies. Daarnaast keerden tienduizenden soldaten uit de Vietnamoorlog terug met een heroïneverslaving. En vooruitstrevende Amerikanen propageerden al jaren het gebruik van geestverruimende middelen, waardoor ook de populariteit van lsd en marihuana flink was toegenomen. President Richard Nixon vond dat de maat vol was.

Landelijk offensief
In juni 1971 hield hij een toespraak die live op televisie werd uitgezonden. De president sprak daarin niet letterlijk over een oorlog tegen drugs, maar hij bediende zich wel van oorlogsretoriek. “Amerika’s staatsvijand nummer één is drugsgebruik. Om deze vijand te kunnen verslaan, is het noodzakelijk een nieuw en allesomvattend offensief te beginnen.” Nixon vroeg en kreeg van het Congres nieuwe wetgeving en fondsen om de strijd aan te kunnen gaan. Negen verschillende instanties werden samengevoegd, waaronder de BNDD (Bureau of Narcotics and Dangerous Drugs) en de ODALE (Office of Drug Abuse Law Enforcement). Dit leidde in 1973 tot één machtige landelijke organisatie om de drugshandel te bestrijden: de DEA (Drug Enforcement Administration).
Onder de taken van de DEA vielen reclassering, onderzoek en voorlichting, maar de nadruk lag op het vervolgen van drugsovertredingen. Zo’n 1400 agenten en een budget van 75 miljoen dollar werden hiervoor vrijgemaakt. Een jaar later al waren deze cijfers verdubbeld. Doordat de DEA een federale instantie was, kon de drugsbestrijding bovendien over grenzen van de diverse Amerikaanse staten heen worden gevoerd.
Daarbij was de ook niet aan binnenlandse grenzen gebonden politiedienst FBI een partner waarmee expertise en data werden gedeeld. De DEA kon bij operaties een beroep doen op lokale politiemachten, maar trad in principe zelfstandig op. Aangezien uitsluitend de drugscriminaliteit werd bestreden, waren de DEA-agenten vaak beter toegerust voor het oprollen van complexe netwerken dan de plaatselijke politiemensen.
Succes liet niet lang op zich wachten. Door de aanvoerlijnen vanuit landen als Turkije en Frankrijk door te snijden, wist de DEA het aanbod van heroïne fors terug te brengen. Eind 1973 durfde Nixon al te zeggen: “Wat betreft het drugsgebruik hebben we een bladzijde omgeslagen.” Hij juichte te vroeg. Mexicaanse drugshandelaren sprongen in het vacuüm en begonnen papaver te verbouwen. Al gauw was de aanvoer van heroïne weer op het oude peil. Dit patroon zou zich in de daaropvolgende decennia telkens herhalen. De drugsvijand bleek een veelkoppig monster te zijn: hakte je één hoofd af, dan kwamen er direct meerdere voor in de plaats.

Van kwaad tot erger
De oorlogstaal van de Republikein Nixon was verre van uniek. Veertig jaar eerder kwamen dezelfde teksten uit de mond van Harry Anslinger. Als hoofd van de FBN (Federal Bureau of Narcotics) was Anslinger decennialang Amerika’s belangrijkste drugsbestrijder. De FBN moest onder andere toezien op het handhaven van het uit 1914 stammende verbod op het gebruik van opiaten. Dat had van drugsgebruikers plotseling misdadigers gemaakt.
Middelen als morfine en cocaïne, die tot dan tot gewoon over de toonbank waren verkocht, verdwenen erdoor in de illegaliteit. Anslinger geloofde in een harde aanpak: zo liet hij huisartsen arresteren die recepten uitschreven voor morfineverslaafden. Hij had het speciaal gemunt op Chinese immigranten, die zich volgens hem onder invloed van opium aan blanke Amerikaanse vrouwen zouden vergrijpen.
Ook de wetgeving rond het bezit van softdrugs – zoals cannabis oftewel marihuana – werd aangescherpt. In 1970 zei Anslinger in het tijdschrift Playboy: “Iemand die onder invloed van marihuana verkeert, kan zo gewelddadig worden dat er vijf agenten nodig zijn om hem in bedwang te houden.” Wie in de jaren vijftig met cannabis werd aangehouden, ging onvoorwaardelijk de gevangenis in, ongeacht de hoeveelheid.
Hoewel dit beleid in het begin van de jaren zestig onder president Kennedy werd verzacht, bleef bij veel Amerikanen het schrikbeeld hangen dat Anslinger ze had voorgehouden: gebruik van softdrugs leidt onherroepelijk tot gebruik van harddrugs. Deze zogeheten gateway-theorie bleef in zwang toen de FBN in 1973 opging in de DEA.
Politieke motieven zijn altijd sterke aanjagers geweest van het Amerikaanse drugsbeleid. Van Nixon is bekend dat hij met zijn nieuwe, harde maatregelen ook tegenstanders van de oorlog in Vietnam aan wilde pakken (zie ‘Verborgen agenda’ op pagina XX). Anderzijds werd de Democraat Jimmy Carter in 1976 mede tot president gekozen omdat hij cannabis uit het wetboek van strafrecht wilde halen. Elf Amerikaanse staten deden dat in de loop van de jaren zeventig.
Toen als gevolg hiervan een beweging ontstond van verontruste ouders die versoepeling van de drugswetten afkeurden, zag Ronald Reagan een politieke kans. Onder andere omdat hij zich fel tegen het gebruik van drugs uitsprak, won hij de presidentsverkiezingen van 1978.
Reagan, net als Nixon een Republikein, kwam zijn beloften na. Nieuwe wetgeving maakte het mogelijk om dealers en gebruikers van softdrugs veel langer op te sluiten.

Desastreuze gevolgen
Vooral zwarten en latino’s ondervonden de consequenties van het strenge drugsbeleid aan den lijve. Een racistische aanpak is Amerikaanse drugsbestrijders nooit vreemd geweest. Al rond 1900 werd openlijk gevreesd voor een zwarte opstand, opgezweept door het gebruik van cocaïne. Zuidelijke politiekorpsen schakelden over op een zwaarder kaliber dienstpistool vanwege de mythe dat zwarten die onder de invloed van deze drug waren niet met licht wapentuig konden worden tegengehouden.
Toen de Amerikaanse gevangenissen door het drugsbeleid van Reagan in de jaren tachtig vol begonnen te strromen, waren zwarten en latino’s daar dan ook zwaar oververtegenwoordigd. In het boek Chasing the scream legt een DEA-agent uit waarom de politie veel minder actief achter blanke drugsgebruikers aangaat. “Die mensen kennen rechters, advocaten, politici. Weet je wat er dan gebeurt? Dan moeten we overuren maken. Laten we daarom achter degenen aangaan die geen geld voor dure advocaten hebben. Mensen die we ook echt op kunnen sluiten.”
De gevolgen van de massale arrestaties van drugsgebruikers waren desastreus voor de achterstandswijken. Hele gemeenschappen werden ontwricht doordat een hoog percentage van de volwassen mannen achter de tralies verdween. Vervolgens leidden armoede en het ontbreken van vaderfiguren ertoe dat jongeren eerder vatbaar werden voor drugsronselaars en bendegeweld.
De probleemwijken groeiden uit tot ware oorlogsgebieden waar de politie en de DEA met steeds grovere middelen begonnen op te treden. Dit leidde geregeld tot aantasting van de burgerrechten. Tijdens no-knock raids werden zonder enige aankondiging invallen in woningen uitgevoerd, wat vaak met dodelijk geweld gepaard ging.
Ondertussen creëerden decennia van bikkelharde repressie vijanden die minstens zo genadeloos optreden als de politie en de DEA: de drugskartels. Ook die waren trouwens niet echt nieuw. Begin twintigste eeuw hadden Chinezen een monopolie op de invoer van opium in de VS en de maffia controleerde de heroïnehandel vanaf de jaren dertig. De Colombianen die in de jaren tachtig de cocaïne-import runden en de Mexicanen die de baas over de huidige aanvoerlijnen zijn, borduurden voort op dat patroon. Maar nu leidde het ertoe dat de Amerikaanse overheid het buitenland bij de strijd tegen de drugs betrok.

Grote jongens pakken
Volgens eigen zeggen opereert de DEA in 68 landen. De invloed van de dienst is het grootst in Latijns-Amerika, waar onder andere aan Mexico en Colombia militaire steun en materieel wordt geleverd en waar programma’s gefinancierd worden om papaver, coca- en wietplanten te vernietigen. Ook traint de DEA er lokale veiligheidstroepen.
Dat laatste is niet zonder risico. In de jaren negentig besloten de Amerikanen om een Mexicaanse elite-eenheid samen te stellen die de kartels actiever moest bestrijden. Mexicaanse agenten in opleiding werden overgevlogen naar de VS om op de legerbasis Fort Bragg intensief te worden getraind in commandotactieken. Terug in Mexico deserteerden de meesten direct begonnen ze een eigen organisatie. Los Zetas geldt nu als een van de meest gevreesde kartels in het land.
Onder druk van de VS voerden veel Latijns-Amerikaanse landen hun eigen drugsoorlog op door het leger in te zetten. Waar dat toe leidde, was ook in Mexico het duidelijkst te zien. Felipe Calderón (president van 2006 to 2012) kondigde onder de noemer ‘ijzeren vuist’ een keiharde strijd tegen de kartels aan. Tijdens zijn ambtsperiode werden 25 van de 37 meest gezochte drugsbazen opgepakt of gedood. Calderons opvolger Enrique Nieto stelde een hit list met 122 belangrijke drugshandelaren op, van wie er 110 werden gearresteerd of gedood. Beide presidenten hanteerden daarbij een aanpak die de DEA in de jaren negentig had ontwikkeld om de Colombiaanse Cali- en Medellín-kartels te bestrijden: de kingpin strategy.
DEA-agent Gary Hale legde in 2012 in een toespraak uit waar die uit bestaat. “Het is een strategie die draait om het lokaliseren, gevangennemen en onschadelijk maken van de kartelbazen en hun directe ondergeschikten. Tegelijkertijd worden krachtdadig de kwetsbare kanten van hun organisatie bestreden, zoals de cashflow en de productie van grondstoffen.” Het kingpin-motto volgens de DEA: niet de misdaden bestrijden, maar de misdadigers. De dood in 2012 van Los Zetas-leider Heriberto Lazcano was volgens Hale een direct gevolg van deze methode. Lazcano zat als een spin in het web en hield zich naast de drugshandel bezig met afpersing, prostitutie, benzinesmokkel, omkoping en moord op bestelling.
Tegenstanders van de kingpin-strategie zien ook vervelende nevenaffecten. Een onderzoek van de Sam Houston State University in Texas toonde aan dat het in de praktijk leidt tot een fellere strijd om de macht binnen de kartels, en daarmee tot een toename van het aantal moorden en ontvoeringen. Inmiddels zijn sinds het uitbreken van de Mexicaanse drugsoorlog naar schatting 150.000 mensen gedood. En nog eens ruim 60.000 zijn spoorloos verdwenen. Maar op de omvang van de internationale drugshandel en het drugsgebruik in de VS heeft de kingpin-methode nauwelijks invloed gehad.

Ommekeer?
Amerika zit nu in het vijftigste jaar van de war on drugs (of in het 106de jaar, als je het verbod op het gebruik van opiaten uit 1914 als beginpunt neemt). Sinds Reagan hebben meerdere presidenten – inclusief de Democraat Bill Clinton – de budgetten voor de drugsbestrijding verhoogd. Dat deden ze onder andere omdat ze bang waren conservatieve kiezers kwijt te raken.
Desondanks dienden zich in deze eeuw nieuwe drugsepidemieën aan. Crystal meth raakte ook de arme blanke Amerikanen en de zogeheten opiatencrisis – veroorzaakt door het grote aantal huisartsen dat zware pijnstillers voorschrijft – trof alle lagen van de bevolking. Anders gezegd: Amerika kan zijn drugsprobleem maar niet van zich afschudden.
Toch zijn de Verenigde Staten in de 21ste eeuw anders naar drugs gaan kijken. In 2012 was Washington de eerste Amerikaanse staat die cannabis legaliseerde, een jaar later gevolgd door Colorado. Inmiddels is zelfs het Republikeinse bolwerk South Dakota voorstander van het toelaten van hasj voor medicinale en recreatieve doeleinden, net als veertien andere staten. Een recente opiniepeiling van het onderzoeksbureau Gallup toont aan dat momenteel 68 procent van de Amerikanen voor de legalisering van cannabis is. Ook president Joe Biden, lang een voorstander van hard optreden, matigt nu zijn toon. Tijdens een presidentieel debat afgelopen oktober zei hij: “Ik geloof dat niemand moet worden opgesloten wegens drugsbezit. Wel moet je mensen verplicht laten afkicken, en we moeten klinieken bouwen waar dat mogelijk is.”
Het lijkt een ommekeer: drugsgebruikers als patiënten zien, en niet als misdadigers. Dat is geen nieuw inzicht. Al in 1936 schreef de Amerikaanse criminoloog August Vollmer: “Als er al een oplossing voor drugsverslaving is, zal die niet door een politieman maar door een medicus worden gevonden.”