Een sociaal filmmuseum

Cine Qua Non sluit na 35 jaar



Je kan er nog steeds terecht voor exclusieve filmboeken, zeldzame posters of gewoon een praatje: Cine Qua Non in de Amsterdamse Staalstraat. Maar niet lang meer. Ook dit bastion van onbegrensde filmliefde gaat binnenkort dicht. Eigenaar Eric Ipenburg kijkt terug op 35 jaar verzamelen voor de verzamelaars. ‘Ik heb altijd geleefd van wat op me af kwam.’

Er zijn wel meer videotheken en antiquariaten geweest wier sluiting somber stemde. Maar de Amsterdamse filmboekhandel Cine Qua Non dicht, dat doet pijn. En het is niet eens de dure centrumhuur die Eric Ipenburg de das om doet. De uitbater aan de Staalstraat heeft niet lang meer te leven en zegt het tegen iedereen die het horen wil. ‘Ik ga dood, ja, darmkanker. De laatste prognose was twee weken tot een half jaar en daarvan zijn er alweer twee maanden voorbij. Maar ik voel me goed, hoor.’
Een bezoek aan dat legendarische pakhuis vol filmherinneringen voelt dan ook niet echt als een afscheid. Als vanouds heeft Ipenburg weer een bijzondere etalage ingericht en staat de deur wijd open voor iedereen. Koper of kijker, Eric neemt graag de tijd voor al zijn klanten. Dat zijn tegenwoordig voornamelijk de toeristen die het gebied rond de Staalstraat hebben overgenomen. Eric verkoopt ze de bijzondere ansichten uit zijn collectie of zelfgemaakte posters van oude Vogue-omslagen. Filmfoto’s en -posters doen het ook nog wel, maar Ipenburgs trots, zijn grote collectie zeldzame filmboeken, staat te verstoffen. Er is geen vraag meer naar.

Wie tegenwoordig wegblijven uit Cine Qua Non zijn de verzamelaars. Of ze zitten allemaal op Catawiki, of ze bestaan niet meer. Vermoedelijk dat laatste. ‘Je had Jan de Kubrickaan, die ik zo noemde omdat hij alles van Kubrick wilde hebben, alles. Er was een vrouwelijke klant die Superman verzamelde maar dat onder haar bed bewaarde want haar man mocht het niet weten. Idem dito een Duitse fan van Richard Chamberlain. Stuurde je dat materiaal anoniem op. Ik noemde mij de verzamelaar in het kwadraat want ik was de verzamelaar voor de verzamelaars.’
Boven het bureau waarachter je Eric meestal wel kan vinden hangen nog de planken met de enveloppen voor de vaste klantjes. Zoals de Italiaanse fan van Rutger Hauer. ‘Die was zo verliefd, die vloog met een ballon over zijn boerderij in Friesland. Ik kocht eens op een beurs een complete kraam op omdat ik wist dat er veel van Hauer tussen zat. Heb aan haar voor duizenden guldens verkocht’.
Hij snapt verzamelen, draagt zelf het gen. ‘Mijn moeder kon nog geen krant weggooien, dat deed mijn vader dan stiekem. Bij mij was het absurd. Ik ging langs het vuil en nam alles meer, zelfs kapotte dingen. Die vind ik misschien nog wel mooier. Dan deed je zulke fantastische vondsten: oude ansichten uit 1900 van de Kinkerstraat, prenten van Don Quichotte uit de 18de eeuw, speelgoedtreintjes. Ik werd daar handig in, voelde aan de vuilniszakken of er iets bijzonders inzat.’
Vertelt hoe hij nog uit de afvalcontainer van het Alhambra originele geluidsbanden van Soldaat van Oranje heeft gevist. Moest hij eerst een bandrecorder opsnorren voor hij het hele sprotje naar de Hauer-fan in Italië kon sturen. ‘En het leuke is, ze heeft hem ondertussen leren kennen. Ze doen soms liefdadigheidsdingen samen.’ Gouden tijden, waarbij het Ipenburg was die de prijs bepaalde. ‘Iedereen gaf wat ik vroeg want het was nergens te vinden.’

junks en gekken
‘We hebben het alleen maar over geld,’ klaagt Eric en schenkt nog een borreltje in. Hij was gestopt met roken en drinken, maar nu zijn vooruitzichten in maanden in plaats van jaren gemeten worden geniet hij zoveel mogelijk. En daar horen sigaretten bij. Het draagt bij aan de bohemienatmosfeer die Cine Qua Non altijd heeft gehad. ‘Het is tegenwoordig al raar als iemand zit te roken, en dan gooi ik de as ook nog gewoon op de grond. En ik ben heel vaak ’s ook avonds hier. In andere landen is dat normaal, open van vier tot tien. Hier krijg je dan alleen maar junks en gekken.’

Toen Eric zijn winkel begin jaren tachtig begon stond de Staalstraat nog niet vermeld in toeristengidsen. ‘Ik startte in 1981 met politieke boeken en een beetje kunst, en verkocht helemaal niks. Ik ben toen in leven gehouden door de buurt, mensen bemoeiden zich echt met elkaar. Ik sliep hier ook, bleef in mijn bed liggen tot de eerste klant binnenkwam. Toen bedacht ik dat ik een specialisatie nodig had en dat is film geworden. Omdat ik de filmwinkels in Parijs zo leuk vond.’
Amsterdam was toen een arme stad met een hoge werkloosheid en een groot drugsprobleem. Speedjunks stalen zijn mooiste boeken en brachten die naar een kunsthandelaar in Utrecht. ‘Wat ze vervolgens bij hem jatten verkochten ze weer aan mij. Die gasten waren heel clever, volgens mij hadden ze onderweg nog in die boeken zitten lezen ook. Dan had je nog de junks die in opdracht stalen. Toen heb ik gezegd: ik wil niet dat je steelt, ik geef je wel geld. En op een gegeven moment dacht ik: ik heb zoveel boeken, steel maar. Het kostte teveel moeite om er op te letten.’

Posters en filmfoto’s werden serieuze extra inkomsten toen Ipenburg de collectie van een Israëlische distributeur kon overnemen. Daar zaten originele affiches van Jean Cocteau- en Ingmar Bergman-films bij. Hele stapels bracht hij naar Frankrijk. ‘Verkocht ik dan voor 50 gulden per stuk. Nu doen die 2500 euro. Op een gegeven moment wilde die man ook de bijbehorende films verkopen, een container vol die ik aan het Filmmuseum dacht te slijten. Zou ik eindelijk eens wat geld gaan verdienen, bleken al die prints Hebreeuws ondertiteld! Maar het was wel het begin van de mooie spullen.’
Want mooie spullen heeft Eric nog steeds volop. We maken een rondgang door de winkel. De oppervlakte is niet eens zo groot maar de hoeveelheid koopwaar is adembenemend. ‘Dit is echt leuk.’ Eric houdt een Spaanse poster met de mysterieuze titel Entre el Pasado y el Futuro. Mooi getekende afbeeldingen van geweld in de dieren- en mensenwereld. Het duurt even voordat het muntje valt: een Spaans bioscoopaffiche van Haanstra’s Bij de Beesten Af. Zou EYE daar geen moord voor doen? Eric haalt zijn schouders op. ‘Die hebben al zoveel en geen budget om aan te schaffen.’

We hebben het over museumwinkels, die volgens Ipenburg overal dezelfde spullen verkopen, ongeacht de collectie. Jarenlang verzorgde hij een winkel tijdens het IFFR, waar hij dan ook spullen tentoonstelde en verkocht van filmmakers die dat jaar te gast waren. ‘Een winkel moet leuk zijn en het moet open zijn, een ontmoetingsplek. Ik was eigenlijk een sociaal filmmuseum. De filmgeschiedenis wordt vergeten, er moet een plek zijn waar je er over kunt leren. Ik vind het raar dat jonge mensen L’Avventura niet willen zien. Maar er wordt ze ook echt geleerd dat film alleen maar amusement is. Film is ook een beetje nadenken over jezelf.’
Zijn etalages zijn een soort wisselende tentoonstelling. Het is veel werk, want hij wil op zo’n moment ook alles van een onderwerp weten. ‘Het is allemaal associatie, maar mensen begrijpen dat niet. Ik had een etalage met Kraftwerk en El Lissitsky, de constructivistische ontwerper. Kraftwerk heeft daar zoveel van gejat maar niemand weet dat. Dan maak je zo’n etalage en moet je dat vervolgens aan iedereen uitleggen. Toots Thielemans overlijdt, dan moet eigenlijk mijn fantastische Italiaanse Turks Fruit in de etalage. Maar ja, ik kan hem niet meer vinden….’

photobustas
In een smal gangetje staan ladekasten vol foto’s van regisseurs, keurig gerubriceerd. Er tegenaan een ingelijste poster van Once Upon a Time in the West van onbekend ontwerp. ‘Apart hè? Heeft een huisschilder gemaakt. Ik dacht dat ik met een stel reproducties ervan goede zaken zou doen maar niemand wil ze hebben. Niet origineel. Maar wel heel bijzonder.’
Een snob is hij niet. Een affiche is gewoon ‘een poster.’ Hij praat over kauwgumplaatjes zoals andere mensen over mooie wijn. Een handtekening op een poster is leuk maar dan moeten de sterren wel naar hem toekomen. Hij ontmoette Dennis Hopper toen die cureerde in het Stedelijk. Het museum had net een serie sublieme photobustas van Easy Rider aangeschaft. Italiaanse lobbycards, in kleine oplages gedrukt dus zeer schaars. Hopper wilde ze ook. ‘Ik zei dat hij maar naar mijn winkel moest komen, maar dat was kennelijk teveel moeite.’
De scenarist van Thunderball, John Hopkins, kwam wel en kocht de hele etalage die Eric had ingericht over de James Bond-klassieker. ‘Die mensen bewaren niks, ze zijn daar nooit mee bezig want het is werk. Nu kon hij het uitdelen onder zijn familieleden.’

We trekken willekeurig wat rollen uit een kast. Een superzeldzame Kapo (1960) van Pontecorvo valt tot mijn afgrijzen in twee stukken op de grond. ‘Geeft niks, heb ik er nog een stel van. Weet je dat David Barnauw van het NIOD die boven zijn bureau heeft hangen?’
Een andere rol onthult een Thais affiche van Amsterdamned. Als ik vraagt waarom hij Dick Maas dan niet even inseint haalt hij zijn schouders op. ‘Ik kan dit al amper aan. Eigenlijk heb ik altijd geleefd van wat op me af kwam.’
Tegenwoordig is de handel in filmposters gemonopoliseerd door grote veilinghuizen als Heritage. Omdat die wekelijks veilen brengt een mooi exemplaar soms maar acht dollar op. ‘Daar word ik heel triest van. Toen ik zo ziek was zei ik: breng ze maar daar naartoe. Is helemaal fout geweest, prachtige Italiaanse en Franse posters gingen voor niks weg. Nadeel van een veiling is dat alleen de hele bijzondere dingen meer opbrengen, het meeste zit ver onder de marktwaarde.’
Nog een laatste rolletje, de bekende Filmdagen-poster van Joost Veerkamp waarop koningin Beatrix transformeert in Marilyn Monroe. Goed voor een relletje in 1985, gebruikt werd uiteindelijk een versie waarin de vorstin was weggeblokt. ‘En weet je wat nu zo grappig is? Dit is degene die iedereen heeft bewaard, de gecensureerde werd weggegooid. Dat is dus de bijzondere geworden. Geestig toch?’
Krabt in zijn baard. ‘Ik moet er ergens nog wel een hebben liggen…’