De openbaring van Victor Löw

In een acteercarrière die meer dan dertig jaar en talloze toneelstukken, films en tv-series omspant heeft Victor Löw alles wel eens langs zien komen. Toch is de speelfilm De Openbaring uniek binnen zijn oeuvre: een intens portret van een man die aan complottheorieën ten onder gaat. Een rol ook die Löw dieper raakte dan de anderen, omdat deze voortkwam uit een persoonlijke inzinking. ‘Ik had het gevoel dat er een glazen plaat tussen mij en de rest stond.’

Gesprekken met acteurs van naam verlopen meestal via zorgvuldig gebaande paden. Er is contact met een publiciteitsmedewerker of een agent waarbij niet zelden wordt afgesproken dat bepaalde onderwerpen niet aan bod mogen komen. Bij Victor Löw (59) is daar geen sprake van. We zitten nog geen twee minuten aan de lunch op de set van De Openbaring of hij onthult al dat hij kort daarvoor enkele maanden in een inrichting opgenomen is geweest.
Die openhartigheid blijft bestaan in de gesprekken die volgen. Löw kan overrompelend eerlijk zijn en heeft een scherp inzicht in wat hem als acteur en mens drijft. Feit is dat de Jacob-figuur in De Openbaring een gevoelige snaar bij hem heeft geraakt. Een middelbare man die uit angst voor de coronapandemie bij zijn alleenstaande moeder (Leny Breederveld) intrekt. Jacob is doodsbang dat zij het virus zal oplopen en gaat met haar in volledige quarantaine. Zijn zuster Magda (Monic Hendrickx) moet lijdzaam toezien hoe de twee langzaam hun grip op de realiteit verliezen.

Ik had tijdens het kijken naar De Openbaring soms associaties met Joker, zo’n innerlijk gebroken man die een held tegen wil en dank wordt.

Als ik een film zou moeten noemen, zou ik denk ik eerder Taxi Driver zeggen. Dat was een van de belangrijkste films uit mijn jeugd. Toen wij in Antwerpen op de toneelschool zaten, speelden we al die scènes na in de kroeg. In Taxi Driver is de antagonist ook de protagonist. Waar we bij De Openbaring heel lang mee hebben geworsteld was de vraag: hoe maken we een man die iets vreselijks doet, sympathiek? Wat Travis Bickle toch een held maakt is dat hij een aantal vreselijke mannen kapotschiet die een minderjarig meisje prostitueren. Een man als Jacob, die zijn lieve moeder naar het leven staat, is een lastiger held. Best een opgave, maar het is toch gelukt.

Ik begrijp dat je nauw betrokken was bij het ontstaan van de film?

Producent Jan Doense en ik waren ooit bezig met een waargebeurde moordzaak, een familiedrama. Daar had je er op een gegeven moment een paar van in Nederland. Het is nu veel meer een universeel verhaal geworden over het wankelen van de menselijke geest. Dat er niet heel voor nodig is om iemand gek te krijgen, of dat er juist heel veel kracht voor nodig is om niet gek te worden. Doodsangst en krankzinnigheid zijn twee fenomenen die altijd bezworen moeten worden. Als dat overneemt gaat het niet goed met je, verlies je de grip.

Een project met een lange historie, dus?

Ik denk dat we hier al zestien jaar mee bezig. Ik heb er meerdere scenario’s en zelfs een boek over proberen te schrijven, maar kreeg niet voor elkaar. Op een gegeven moment hebben Jan Doense en ik het idee zelfs begraven. Na dertien jaar gaven we elkaar in een café een hand en zeiden we: het gaat niet lukken om van deze man een bevredigende hoofdrol te maken. Toen kwam mijn instorting en ben ik twee maanden opgenomen geweest. En eigenlijk kreeg ik daardoor het inzicht dat we de film juist nú moesten maken. Tijdens de lockdown viel alles op z’n plaats. Jan zei op een gegeven moment: de wereld is gek en dus is Jacob het ook. Ik begreep dat als we het verhaal tijdens de pandemie zouden situeren, Jacob gek zou worden van het hele coronagebeuren. Toen is alles weer in beweging gekomen. Chris W. Mitchell werd de regisseur en schreef ook het script.

Lastige bijkomstigheid was dat jullie het verhaalverloop achterstevoren hebben gedraaid.

Omdat Jacob steeds onverzorgder wordt, zijn we begonnen met het einde waar hij lang haar en een wilde baard heeft. Echt het uiterlijk van iemand in lockdown die niet werkt. Daar is elke keer een stukje vanaf gehaald. De opnamen waren daardoor echt een puzzel, je moest heel goed onthouden wat je al gedraaid had. Het verhaal heeft zo’n organische ontwikkeling van krankzinnigheid dat tegengesteld werken best lastig is. Voordeel is dat je in de lichtere scènes beter naar de zwaarte kunt zoeken. Als je weet waar je naartoe gaat kun je het hier en daar lichter houden.

Over die opname: wat had je precies?

Een depressie, een angststoornis, schuldwaan en dwangneuroses, dat waren de stempels. Je komt daar uit als ze denken dat je jezelf wel kunt redden maar je bent dan nog niet beter, dat duurt nog wel even. Je moet je medicatie afbouwen, dus die lockdown was een buitengewoon geschikte periode om eruit te klimmen.

Hoe heeft het je een beter inzicht in Jacob gegeven?

Eerst had ik alleen maar verzonnen hoe zo’n angststoornis in een hoofd werkt, maar nu wist ik ook wat het werkelijk inhield. Het was geen pleinvrees maar ik voelde te veel, met name te veel enge dingen. Alsof de wereld te groot voor je is. Je moet ergens naartoe, het is maar tien minuten met de fiets, maar doordat je afweermechanisme niet werkt komt alles wat je ziet enorm binnen. Zaken als de hoeveelheid mensen die op straat werken en daar eigenlijk geen zin in hebben. Je voelt de uitstraling, ziet het in de ogen: verwarde mensen, eenzame mensen. Er is een scherm weggevallen dus je voelt alles veel te heftig. Je durft eigenlijk niet meer naar buiten. Toen begon ik pas goed te begrijpen hoe fragiel we eigenlijk zijn.

Wat was het overheersende gevoel tijdens je opname?

Heel veel schaamte. Het is echt wat anders dan welke ziekte dan ook. Ik weet niet waarom, maar bij geestesziekte is er sprake van een diepe gêne over je toestand. Misschien heeft het te maken met het feit dat je niet in staat bent om te socializen. Het is alsof er een dikke glazen plaat tussen mij en de rest staat. Je kan iedereen heel precies observeren, mezelf incluis, maar zelf kon ik niet deelnemen aan het sociaal verkeer. Grapjes ontgaan je, de snelheid waarmee mensen verbanden leggen om contact met elkaar te hebben. Je voelt dat je er niet tussen komt. Ik ben nu bezig met een boek over wat er met me is gebeurd, want ik weet zelf niet goed waardoor ik zo van padje kon raken. Behalve dan een knijter van een burn-out.

Je komt uit een echte acteursfamilie.

Mijn ouders leerden elkaar kennen bij het Zuidelijk Toneel. Mijn moeder stopte met acteren toen de kinderen kwamen, maar in 1975 schreef ze haar eigen cabaretvoorstelling over de rol van de vrouw. Dat jaar toerde ze met dat programma terwijl mijn vader Sil de Strandjutter regisseerde; mijn ouders waren enorm creatieve mensen. De bezetenheid van het vak heb ik van mijn vader, zijn geloof werd het mijne: de acteeropleiding van Studio Herman Teirlinck in Antwerpen. Je werd daar getraind om multi-inzetbaar te zijn, om overal te kunnen acteren en je lichaam en je geest volledig in te zetten voor de rol en de regisseur. Echt een heel degelijke opleiding.

Een ander rolmodel is de Vlaamse theaterregisseur Luk Perceval, die een eigen acteermethode heeft ontwikkeld. Waar bestaat die uit?

Het is een systeem van rolopbouw en tekstbehandeling die qua techniek lijkt op wat Anthony Hopkins over acteren zegt: ‘Als ik een zin vijftig keer heb gezegd weet ik hoe ik hem moet uitspreken.’ Dus je leert je tekst eerst machinaal, op een opzegniveau. Je interpreteert niet, gaat niet meteen zeggen zoals je denkt dat hij moet klinken. Wat er vervolgens gebeurt is dat je al dreunend in een mantra terecht komt. Als je het maar vaak hebt opgezegd komt ineens naar boven hoe je onderbuik erover denkt. Niet je intellect, maar je ziel. Want jij moet hem worden, dat bekent dat je je helemaal moet voorstellen hoe die persoon is. De rollen die we bij Perceval speelden stonden altijd op het randje van krankzinnigheid. Net niet exploderende personages, altijd. Dat zie ik ook weer in De Openbaring.

Hoe ging dat stampen bij een voorstelling als De Redenaar? In die monoloog speelde je een man die tientallen beroemde speeches uit zijn hoofd kan opzeggen.

Ik was toen 44, ik weet niet of dat nog zou kunnen. Ik was al een paar weken heel intensief bezig toen regisseur Porgy Franssen vroeg hoe het ermee stond. Want hij kon pas aan de slag bij als ik de volledige tekst kende. Ik zei dat ik al acht pagina’s van de 32 kende. Porgy schrok zich rot: ‘Wat, pas acht!?’ Toen werd ik bang, want Porgy kan zelf heel goed leren. Ik zal daar in totaal wel vier maanden over gedaan hebben. Een pagina per dag op overhoor niveau, en dan herhalen, herhalen tot die volledig ingesleten is. En de volgende dag neem je eerst de tekst door die je al kent. Het grappige van De Redenaar was dat het personage zelf ook de hele tijd bezig was met teksten leren. Hij kende 52 speeches uit zijn hoofd, variërend van drie minuten tot een uur. Ik werd dat jaar genomineerd voor een Louis d’Or maar helaas voor mij won Mark Rietman.

Je had de Louis d’Or al eens gewonnen voor de voorstelling Sukarno, een van drie nominaties. Je had toen ook al de Arlecchino voor beste bijrol op zak. Het Gouden Kalf voor beste bijrol volgde in 2000 met Lek, na vier keer genomineerd te zijn geweest. Het is niet overdreven om te zeggen dat je tot de beste spelers van jouw generatie hoort.

Van mijn generatie zijn de grote namen Pierre [Bokma], Peter Blok, Mark Rietman, die ook een heel goed regisseur is. Jeroen Willemse, maar die doet niet meer mee, een eeuwig gemis. En natuurlijk Barry Atsma, die is inmiddels heel ver gekomen in Duitsland en Engeland. Daar heeft hij ontzettend hard voor gewerkt. En Fedja [van Huêt] natuurlijk, al is hij tien jaar jonger. Toch maar een klein groepje, hmm.

Je noemt als eerste Pierre Bokma, waarom is hij zo goed?

In Nr. 10 van Alex van Warmerdam speelt hij een toneelacteur die zijn tekst niet kent omdat thuis zijn vrouw op sterven ligt. Pierre komt op en begint aan een zin, en bij het derde woord zie aan zijn gezicht dat hij denkt dat de rest wel vanzelf zal komen. Er is nog sprake van een zekere verve. Maar bij het vijfde woord zinkt bij hem het besef in hij dat hij het niet meer weet. Dat is zo verfijnd gespeeld, je kunt daar als door een vergrootglas naar kijken. Ondertussen gaat er weer niemand naar die film, zo jammer.
Met Pierre spelen voelt heel vertrouwd, en het is erg leuk om te doen. Met hem wilde ik een toneelstuk maken waarin hij Charles Manson zou spelen. Ik wist er op een gegeven zoveel over dat het was alsof ik zelf bij Mansons Family gezeten had. Pierre vond het plan te gek, maar producenten trokken er op een gegeven moment de stekker uit. Een beetje zoals met De Openbaring: we kwamen er niet uit.

Hoe ontstond het personage De Gankelaar uit Karakter?

De cameraman van Karakter, Rogier Stoffers, deed ook de tv-serie Tijd van Leven en tipte Mike van Diem. Die zag dat ik kon transformeren zonder dat het een typetje werd. In het boek van Bordewijk was sprake van een misvorming waar die De Gankelaar totaal niet mee zat. Bij de auditie was ik zenuwachtig, dus ging ik dingen doen. Brando imiteren, wat zo’n beetje iedere acteur van mijn generatie kan. Die hese, binnensmondse stem en dan mijn onderkaak naar voren steken. Zegt Mike: ‘Hé, kun je dat ook hardop?’ Natuurlijk. Uiteindelijk deed ik die casting met watten in mijn mond, een opgeplakte snor en een badmuts op! Ik wist zeker: dit gaat nooit gebeuren. Ik zag er niet uit, hoe kon ik zo ooit geloofwaardig zijn? Drie dagen later vroegen ze of ik het wilde doen. Ik ben er nog voor naar een tandtechnicus geweest, kreeg toen een prothese die op mijn onderkaak werd vast geklikt.

Ik herinner me midden jaren negentig als een periode waarin er eindelijk weer wat gebeurde in de Nederlandse film.

Dat was ook zo. Ik weet nog dat ik aan het eind van een nachtshoot te horen kreeg dat Karakter de Oscar voor beste buitenlandse film had gewonnen. Tamar van den Dop en ik gingen direct door naar een tv-studio, want Mike en Fedja zaten in Los Angeles. Ik zeg in een roes tegen de taxichauffeur: ‘Meneer, Karakter heeft de Oscar gewonnen!’ Zegt die man: ‘Wat leuk, dan komt hij vast in de bioscoop.’ Toen had Karakter al 300.000 bezoekers getrokken, hè? Er werd continu aandacht aan besteed op de kunstpagina’s van NRC en Volkskrant, dus ik dacht: iedereen weet hiervan! Maar ik vergat dat de kunstpagina de deur naar de sportpagina is. Natuurlijk wist die man wist van niets!

Voor Karakter werd je genomineerd voor een Gouden Kalf voor beste bijrol, de prijs die je uiteindelijk won voor je rol van Amsterdamse gangster in Lek.

Lek was in zijn genre vlekkeloos. Het acteerniveau, het script: echt op alle fronten geslaagd. En er gingen maar 90.000 man naartoe. Nu was het toen zo warm dat de mensen echt niet de bioscoop in te krijgen waren, maar toch… Regisseur Jean van de Velde werd later filmintendant en hij stelde de traditie van de Gouden Film in. Omdat juist hij zo goed wist hoe moeilijk het was om in Nederland meer dan 100.000 bezoekers te halen. Ik weet dat ik nog dacht: hoe ga je die mensen nou bereiken? Precies toen kreeg in de aanbieding om aan Costa! mee te doen, een film met voor tachtig, negentig procent acteurs uit soapseries. Daar zijn meer dan zeshonderdduizend mensen naartoe geweest. Dat was gelijk het antwoord op mijn vraag.

De vraag is: was dat erg?

Helemaal niet. Je kunt je als acteur concentreren op de rol, maar er is ook zoiets als het publiek. Ik was zo trots op Lek en Karakter dat ik wilde dat mensen dat ook zagen. Toen ben ik anders denken: laten we projecten gaan maken die echt gezien worden. Daarom was Costa! zo’n leuke verrassing. Lastig was wel dat ik daar met allemaal collega’s op de set stond die het vooral van hun charmes moesten hebben. Ze waren de leukste jongens en meisjes van de klas en kenden allerlei cameratrucjes, maar ze wisten van acteren niets. Later heb ik voor Kemna Casting nog acteerles gegeven. Moest ik de meest succesvolle acteurs van die tijd als Johnny de Mol en Katja Schuurman bijspijkeren. En ze wilden dat ook, hoor. Ze waren compleet overvallen door alle aandacht en het snelle succes, en gingen zich rond hun 27e afvragen: waar ben ik nou eigenlijk mee bezig? Uiteindelijk zijn daar allemaal prima acteurs uit voortgekomen. Maar die tijd, zo rond 2000, was wel een keerpunt.

Vergelijk filmacteren en toneelspelen eens.

Filmacteren is beeld en toneelspelen is taal. Bij film gaat het om je ogen en je lichaam, het is een beeldconcentratie. Met de teksten moet je spaarzaam omgaan en je ogen moeten niet de woorden verklaren of uitleggen. Dat is ook de kunst van echt goede filmscripts. Bij toneelspelen zeg je juist wel ‘Ik ben verdrietig’ om ook de achterste rijen te kunnen bereiken. De meeste mensen kunnen immers niet zien wat je voelt, dus je vertelt het ze. Maar het begint inmiddels door elkaar te lopen. Je hebt tegenwoordig vaak camera’s bij toneelvoorstellingen waarmee heel groot de gezichten op schermen worden gezet.

En acteren voor televisie?

Bij een film wordt je echt wel verwend, met soms vijftien draaidagen voor een bijrol. Heel anders is een doorlopende serie voor televisie. Die heb ik genoeg gedaan: We gaan nog niet naar huis, Ben zo terug, Kees en Co, Voetbalvrouwen. De techniek en het huiswerk – dus wie ben ik, wat kom ik doen, waar ga ik heen – is altijd hetzelfde. Alleen de toon van spreken en de lichtheid of zwaarte van denken is afhankelijk van de productie. Heel soms wordt er echt kunstenaarschap verlangd, dan voel je dat er iets persoonlijks gevraagd wordt.

Heb je daar een voorbeeld van?

Bij De Prooi [over de bankencrisis] met Theu Boermans als regisseur was veel ruimte voor nuance. De tijd die toen in 2013 genomen werd voor een close up, dat voelde echt als vroeger. Want in principe mag het allemaal geen tijd meer kosten, men moet dóór. De crews zijn zo snel geworden in ombouwen en repeteren moet zo kort mogelijk. Veel pagina’s op een dag draaien, ongeacht het genre. Het is een veelgehoorde frustratie onder collega’s dat de filmploeg al drie pagina’s verder is, en jij weet ineens zeker hoe je het had moeten spelen. Je wil als acteur toch de tijd hebben om te onderzoeken hoe iets moet, en rond take vijf en zes begin je het te begrijpen. Maar er dan nog zes doen om het echt goed te krijgen: die tijd is voorbij. Je moet tegenwoordig zo goed voorbereid zijn dat je bij take één al op een 8 staat, qua prestatie.

Als je zegt ‘vroeger’, waar denk je dan aan?

Bij Karakter repeteerden Mike en ik eens een volle avond op een scène en ik dacht dat ik het wist. Gingen we de volgende dag draaien, zegt ie: ‘Lachen op de set is huilen in de montage. Dit gaan we zo niet doen.’ In één keer werd de hele sfeer anders, Mike was zo niét tevreden. Ik denk dat hij bij take vijftien zei: ‘Okay, hier kan ik mee leven…’ Vreselijk, een 6,5, en ik had nog dertien draaidagen te gaan! Hoor ik: ‘Hair in the gate!’ Dat is een technische term voor als er een haar voor de lens zit en alles over moet. Bestaat niet meer in de digitale tijd. Dus gingen we door tot take 25, en die is gebruikt. Het ging puur om het acteren. Ik denk niet dat zoiets nu nog gebeurt in Nederland.

Je hebt ook veel getoerd met vrije producties.

Daar speelt zich een heel leven in de bus af. Het heen- en terugrijden is immers twee keer zo lang als de tijd die je op het toneel staat. Adrian Brine zei vroeger altijd: [met Brits accent] ‘In Engeland gaat het publiek naar het theater, in Nederland gaat het theater naar het publiek’, haha. Die bus is een cultuur op zich, je hebt stille bussen waarin de acteurs rustig aan doen. Maar met Linda van Dyck in de bus van Who’s Afraid of Virginia Woolf? hebben we onderweg zo godsgruwelijk veel gelachen. Vaak is dat puur situatiehumor. Dan vertel je thuis: we hebben zo gelachen! Maar als je het dan gaat omschrijven is het helemaal niks. Je moet ook oppassen dat je onderweg niet al de helft van je energie kwijt bent. Je bent immers samen omdat je moet optreden. Maar alles is aan het veranderen. Steeds meer musicals blijven op dezelfde plek staan, dan is dat hele buscultuurtje weg.

Je hebt vijf voorstellingen met theatergezelschap De Verleiders gedaan, een enorm succesvol concept.

Als je het hebt over voor een publiek staan was dat wel de meest heftige ervaring uit mijn acteerloopbaan: twaalf keer Carré achter elkaar uitverkopen. Maar het is voorbij: we zijn overleden. De laatste voorstelling [over privacy] wordt niet teruggebracht, dat werk was dus voor niks. Na vier try-outs moesten we stoppen vanwege corona, en we gaan het niet meer oppakken. Tom de Ket zei al bij de lezing van de laatste voorstelling: het is in de zaal raarder dan op het toneel. Publiek met mondkapjes op, al die open plekken.
Maar De Verleiders was een briljant concept, een unieke vorm. We waren bezig met een analyse van het kapitalistische systeem, en hoe dat ieders leven beïnvloedt. Alles wat we in die acht jaar op het toneel hebben gezegd is nu elke dag in het nieuws. Hoe het geldsysteem is een ding op zichzelf is, niet aangestuurd door de politiek en losstaand van democratische regels. In Verleiders 5: Stem Kwijt ging het erover dat het predicaat ‘Koninklijk’ uit Shell moest. En kijk nu eens?

Welke producties hebben nog meer veel indruk op je gemaakt?

Die met John Kraaijkamp sr, de oude Kraaij, dat was ongelofelijk. Ik had een grote rol in een van zijn laatste stukken. We deden Arthur Miller en Kraaij speelde een oude Joodse sjacheraar die de boel in de opening op scherp zette om pas tegen het einde weer terug te keren. Ze hadden zijn naam gigantisch groot op die poster gezet, dus het zat stampvol. Elke avond waren er na de pauze dertig, veertig man weg, want hun held zat er niet meer in! Maar als hij terugkeerde kreeg hij altijd een prachtig applaus. Ik heb het toneelbuigen echt van hem geleerd.

Leg eens uit.

Er bestaat zoiets als een applauscultuur. Het is een manier van het publiek om aan te geven hoe ze het gevonden hebben. Dat kan lauw zijn, maar ook uitzinnig. Net als de hoeveelheid keren dat je teruggeroepen wordt. De vraag is: ben je als acteur op dat moment jezelf? Dat wist ik nooit. En bij Kraaij begreep ik: applaus is gewoon een tweede show. Het is een rol die je speelt terwijl je het applaus in ontvangst neemt. Dan ging dat doek weer open en hoorde ik hem naast me mompelen: ‘Oh, wat een mooi publiek…’ Dat ontsnapte hem, alsof hij goud zag. Kraaijkamp wist als geen ander waar dat publiek voor stond. Hij verraadde eens dat hij van de reïncarnatie was, toen hij zei: ‘Als ik terugkom word ik meteen acteur,’ haha.

Het mooiste vak ter wereld?

Als je slechte tijden doormaakt en je kijkt naar de wereld, dan vraag ik me wel eens af: hoeveel mensen hebben er een beroep waarbij je vijf dagen in de week allemaal schouderklopjes krijgt? Mensen vieren hun verjaardag omdat ze willen voelen dat ze gewaardeerd worden. In dit beroep krijg je die waardering vijf dagen in de week. Als je ouder wordt begrijp je dat steeds beter. Of als je in een inrichting zit!

De Openbaring komt begin 2022 in de bioscopen.