De ontdekking van Nederland

Redmond O’Hanlon woont in Almere. Jazeker, de man die met gevaar voor eigen leven de binnenlanden van Borneo, Midden-Afrika en Zuid-Amerika doorkruiste, observeert nu zwarte spechten in een aangelegd Hollands bos. En hij vindt het er prachtig. De natuur in met een reisschrijver die liever niet schrijft. ‘De Beagle redde mijn leven.’

‘Redmond doesn’t do boring’ zegt zijn vrouw Belinda in de eerste aflevering van O’Hanlon’s Heroes (2012). Profetische woorden, want na vijftig jaar huwelijk woont de reisschrijver nu permanent in Nederland met een Hollandse partner. Hier wordt hij herkend op straat en kan hij zijn ideeën kwijt voor een nieuwe televisiereeks. Almere biedt hem een half jaar onderdak, in ruil waarvoor hij alleen maar de naam van de stad hoeft te noemen in een nieuw boek.
Wij houden in Nederland van pensioengerechtigde, excentrieke mannen die niet bang zijn voor een tegendraadse mening over biologie (Midas Dekkers), historie (Maarten van Rossem) of sport (Mart Smeets). Als het om echte wetenswaardigheden gaat is niemand geïnteresseerd in de Lonely Planet-wijsheid van Floortje Dessing. We willen een zestiger met een fikse buik en vlekken op zijn das die ons omver blaast met een verbijsterend feitje.

De televisieserie Beagle (2009) zag haar kelderende kijkcijfers herstellen toen Redmond O’Hanlon aanmonsterde op de klipper Stad Amsterdam. De VPRO-reeks volgde de boottocht die Charles Darwin in de negentiende eeuw maakte, en die zou leiden tot zijn verstrekkende theorieën over natuurlijke selectie. Geen grotere Darwin-kenner dan O’Hanlon, en wat kon hij meeslepend vertellen over trekvogels, survival of the fittest en seks. Je hoefde alleen maar een camera op hem te richten en je had toptelevisie. Met zijn sneeuwwitte bakkenbaarden, baret en guitige oogopslag was Redsie een geboren presentator. Niet vreemd dat de productie hem halverwege de reis bombardeerde tot gastheer van de reeks.

‘Ik had gewoon geluk om op de Stad Amsterdam te belanden. Ik wist veel over Darwin.’ O’Hanlon zit in de ochtendzon aan de oever van het Weerwater, verrekijker, vogelgids en fles witte wijn binnen handbereik. De schrijver bivakkeert samen met zijn Nederlandse partner Marijn in een voormalige duikschool, met uitzicht op het Vogeleiland. En ja, zonder de Beagle-serie had hij hier niet gezeten.
‘Ik had een plannetje bedacht. Ik vermoedde dat er aan boord een kleine bibliotheek zou zijn, en die was er, met lege planken. Als ik nou al mijn kostbare eerste edities van Darwin mee zou nemen, en ze gingen daar interviews draaien, dan zouden die boeken moeten blijven staan: continuïteit! Dan konden ze me nooit van boord sturen, want ik zou mijn boeken natuurlijk hebben meegenomen, hahaha. Zo bleef ik acht maanden te gast.’
De kijkcijfers mochten dan stijgen, uiteindelijk bleek Beagle een peperdure afschrijfpost voor de NPO. O’Hanlon weet wel waarom. ‘Het budget was 12 miljoen euro en ze gingen er twee miljoen overheen. Al die partners die maar overkwamen. Dus de serie moest stevig verkocht gaan worden, bij voorkeur aan de Amerikaanse markt. Alleen kende de regisseur die markt niet, hij was zelfs nog nooit in Amerika geweest. Hij vond het een geweldig idee om elke episode te beëindigen door mij te laten zeggen: ‘En zo leerden we dat God niet bestaat.’ Beng, weg Amerikaanse markt!’
O’Hanlon daarentegen was gered. De schrijver van klassieke reisboeken als Naar het Hart van Borneo en Congo kreeg door een writer’s block al jaren geen letter meer op papier. Een tweede carrière als televisiepersoonlijkheid brak aan. Voor de VPRO maakte hij twee series met kostelijke reisverslagen over zijn favoriete 19de eeuwse ontdekkingsreizigers, O’Hanlon’s Heroes. In Groot-Brittannië mocht hij dan grotendeels vergeten zijn, Nederland drukte hem stevig aan de borst. Toen de liefde hem overkwam, werd het tijd de navelstreng met Engeland door te knippen.

Curvy, wet and lovely
‘Mijn overburen hier zijn haviken, magnifieke beesten.’ Redmond O’Hanlon kan zijn geluk niet op elke ochtend wakker te worden in een vogelparadijs. Vandaag zullen we per kano Vogeleiland gaan verkennen, het onbewoonde eiland in het Weerwater. Hier moet ergens de Beginboom staan, de allereerst geplante vegetatie van Zuidelijk Flevoland, amper vijftig jaar oud. De kunstmatigheid van Almere is een eindeloze bron van fascinatie voor Redmond. ‘Er is hier een wonderbaarlijk gevoel van ruimte. Je hebt boerderijen, midden in de stad! Het is echt dapper een nieuwe groene stad te bouwen. Bomen zijn niet goedkoop.’
Hollanders zijn veel te bescheiden over hun prestaties als waterbouwers. ‘Ik zou het van de daken schreeuwen. Omdat jullie ingenieurs hebben zonder enige angst voor water, is niets te dol. Bizar, want de rest van de wereldbevolking is doodsbang voor grote hoeveelheden water.’

Haast op commando passeren twee zwemmers op leeftijd de vlonder van de duikschool. O’Hanlon bestudeert ze alsof het futen zijn. ‘Zestig plus, dat vind ik nou mooi. Ach, ze kussen, ze zijn verliefd…..’ Niets dat de aandacht van Redmond sneller trekt dan de uiterlijke symptomen van voortplantingsgedrag. ‘De geneugten van deze plek zijn bespottelijk: vogels, zoenende zestigers. Very sexy.’
Terwijl hij onze glazen nog eens bijvult wijst hij naar het eiland van onze bestemming. ‘Het is toch niet te geloven dat alles wat je hier ziet met de hand geplant is: miljoenen bomen!’ Het stedelijke Almere kan zijn waardering minder wegdragen. ‘Je hebt enorme pleinen midden in de stad waar duizenden mensen elkaar kunnen ontmoeten, maar waar geen hond loopt. Dat zal dan wel in afwachting van de toekomst zijn.’

Amsterdam blijft een van zijn favoriete plekken op aarde. De Hollanders bouwden volgens hem een vrouwelijke stad, ‘curvy, wet and lovely. In tegenstelling tot Engeland was hier geen aristocratie gebaseerd op landeigendom. Dus je drukte je ambitie uit door een mooier huis te bouwen dan de buurman.’ Wandelend over de grachten viel het hem op dat als hij naar binnen keek overal boekenkasten zag. Ook daar heeft hij een theorie over. ‘Kennis wordt hier niet gezien als franje. Omdat je een handelaar bent, moet je de mensen begrijpen met wie je handel drijft, anders kun je ze niet om de tuin leiden.’
Een theorie volgt over waarom Nederlandse vrouwen de mooiste op aarde zijn. Het heeft te maken met de positie van Nederland ten tijden van de Laatste IJstijd, en natuurlijk met veel fietsen en grote hoeveelheden zuivel consumeren. ‘Niet verder vertellen, maar Adolf Hitler vond dat het beste voorbeeld van het blanke superieure ras zich helemaal niet in Duitsland bevond, maar in Friesland. Toen we dat tijdens de Beagle-tocht naar buiten brachten waren sommige van de blonde opvarenden best ingenomen met die kennis.’

We verplaatsen ons naar de jachthaven waar we kano’s huren over de overtocht. Als we eenmaal een camping met keurig geschoren gazon en koffiedrinkende bezoekers gepasseerd zijn, duikt een soort verwilderd oerbos op: Vogeleiland. Als we aanleggen blijkt het vergeven van brandnetels en distels, wat volgens O‘Hanlon merkwaardig is omdat je die eigenlijk alleen aantreft bij hoge concentraties nitraat, m.a.w. waar mensen in het bos poepen. Misschien valt dat onbewoond dus wel mee.
We zijn nog niet op weg of de biologische weetjes stromen uit de schrijver als Bijbelteksten uit een ouderling. ‘Een van de argumenten voor natuurlijke theologie was dat je naast brandnetels meestal dovenetels vindt. Dat was Gods manier om de mens snel van die nare jeukplekken af te helpen. Maar dat argument ging niet langer op toen de eerste ontdekkingsreizigers de tropen aandeden en op doerian-fruit stuiten. Als ze rijp zijn vallen ze naar beneden. Als je die op je hoofd krijgt ben je dood: dat kon God toch niet bedoeld hebben?’
Marijn roept hem naar een klein gaatje in de grond, omringd door een keurig cirkeltje kersenpitten. O’Hanlon zakt verrukt door zijn knieën. ‘Oh, that’s lovely, dit heb ik nog niet eerder gezien. Het is van een bosmuis. Hij heeft de wilde kersen opgegeten maar heeft de pitten bewaard voor de komende winter. Well done darling. Je moet ook altijd een vrouw bij je hebben.’

Ondertussen proberen we de Beginboom te lokaliseren. Het gaat moeizaam vanwege de dichte vegetatie, maar ook omdat het niet per se de hoogste boom op het eiland is. Jongere populieren zijn de eiken in hoogte voorbij geschoten. We besluiten zelf maar een stevige eik als winnaar aan te wijzen. O’Hanlon legt goedkeurend zijn hand op de bast. ‘Dit is een Noord-Europese eik, een geweldige boom om midden in een stadsgebied te hebben. Ze horen hier ook te groeien. Het voordeel boven een geïmporteerde boom is dat er een heel ecosysteem omheen hangt. Kevers die met de boom zijn mee geëvolueerd, en die op hun beurt weer de spechten voeden. Maar als je een Japanse kers zou planten, krijg je niks.’
Mag je dit een wildernis noemen? O’Hanlon meent van wel: veel wilder vind je het niet in Europa. Hij heeft dan ook gemengde gevoelens over de grootscheepse plannen van de aanstaande Floriade (2022), waarbij onder meer het Vogeleiland grotendeels gerooid zal worden. ‘Afschuwelijk natuurlijk. Ik heb beloofd me niet bezig te houden met politics, zoals dat heet. Maar het is wel het vernietigen van een uniek stuk bosgrond. Dat kan je niet meer vervangen.’

Beschimmelde beker
Aangekomen aan de rand van het eiland eten we onze meegenomen boterhammen op met uitzicht op Almere Stad. Het gesprek komt op Boudewijn Büch, met wie O’Hanlon bevriend was. Is het geen gek idee dat hij nu diens plaats als Nederlands favoriete reisleider heeft ingenomen? ‘Ah, Boudewijn,’ zucht hij weemoedig. ‘Toen ik hem bij mij thuis in Oxford voor het eerst mijn verzameling boeken liet zien, dacht ik dat hij een soort popster was, zoveel leek hij op Mick Jagger. Heel gênant om later te ontdekken dat terwijl ik aan het opscheppen was over mijn paperbacks, deze man er een ongelooflijk rijke collectie boeken op na hield. Beter dan die van mijn college in Oxford. En hij had er niets over gezegd!’
Op YouTube zijn nog beelden terug te zien van een jonge Büch die vol verbazing de chaos van O’Hanlons Pelican House in ogenschouw neemt. ‘Mijn bibliotheek was een drama voor hem. Achttien maanden na zijn eerste bezoek keerde hij terug, en rende hij direct naar de zitkamer. Hij ging in een stoel zitten, stak zijn hand eronder en haalde triomfantelijk een beker tevoorschijn, bedekt met schimmel. Hij had die opzettelijk achttien maanden eerder verborgen, om te zien of ik die ooit zou opruimen.’

In de kano’s terug naar de jachthaven wordt Redmond opnieuw herkend, ditmaal door twee jonge gasten. We meren aan zodat ze met de schrijver op de foto kunnen. ‘Ik heb al zijn programma’s gezien,’ glundert een van de jongens. Ook in het Eksternest, een theehuis in het Vroege Vogelbos waar we lunchen, ontkomt Redmond niet aan poseren. Aan de tafel naast ons zit een gezelschap op leeftijd zichtbaar te stralen dat ze de reisschrijver in het wild kunnen bekijken. ‘Ik ben in gesprek met de old people’s channel [Max, MvdT] voor een serie over beroemde Nederlandse wetenschappers als de bioloog Nico Tinbergen en natuurpionier Jac. P. Thijsse. Ik zou ook graag een serie doen over de natuurgebieden in Nederland.’
Als ik hem vertel over de recente onthulling dat prins Bernard in de jaren zeventig huurlingen uit eigen zak betaalde om de neushoorns in Afrika te beschermen, heeft Redmond natuurlijk een anekdote over de Schavuit van Oranje. ‘Mijn goede vriend Iain Douglas-Hamilton van Save the Elephants vertelde me ooit dat PB, want zo noemde hij de prins, dolgraag een olifant wilde schieten. Hamilton was z’n hele leven bezig om de olifant te beschermen, maar in ruil zou PB hem een klein eenmotorig vliegtuigje schenken. Dus hij bracht de prins naar een zieke oude olifant die toch snel zou sterven. PB haalde de trekker over en Ian kreeg zijn vliegtuig.’

Het is inmiddels achter in de middag, en de zon, de wandeling en de alcohol laten zich gelden. Redmond vertelt het verhaal van zijn ontmoeting met Marijn. ‘Ze kwam naar een lezing van me, zat achterin en was de enige die zich afzijdig hield. Ze keek naar de muren, en dat stoorde me. Dus ik vroeg of ze wat wilde drinken in een café. Eenmaal binnen ging ze bij wat vrienden zitten, en toen pakte ik haar beet: ‘Jij komt bij mij zitten.’ Dat vond ze leuk, vrouwen vallen voor dat soort onzin.’
Zijn leven in Engeland is afgerond. Pelican House is verkocht, tienduizend boeken staan in dozen te wachten op een ruime Nederlandse boekenkast. ‘Mijn ex-vrouw wilde niet één boek uit mijn collectie. Ze woont nu op haar vaders boerderij in Kent met alleen honden als gezelschap. Zegt dat ze genoeg heeft van alles.’
Denkt hij zijn vrienden niet te zullen missen? O’Hanlon maakte in Oxford deel uit van een literaire kring waartoe zwaargewichten als Ian McEwan, Martin Amis en Julian Barnes behoorden. ‘Ik had altijd een beeld dat we met z’n allen als oude mannen rond het vuur zouden zitten, herinneringen ophalend, maar dat zal niet gebeuren. Sommige zijn bittere vijanden van elkaar geworden. Anderen zijn zo rijk, als Amis en Rushdie, dat ze in Amerika in enorme landhuizen wonen. Niemand ziet elkaar nog. I suppose that’s how it always goes. Dus Nederland is mijn thuis nu, heel vreemd. Maar het is zo’n prachtig mooi land…’

Bij zijn aantrede als ‘writer in residence’ is O’Hanlon nog enthousiast over een boek met Almere als onderwerp. Inmiddels denkt hij dat het misschien toch maar over de Beagle moet gaan. Feit is dat schrijven voor hem gelijk staat aan een worsteling. Toen hij als student aan zijn thesis over Darwin en auteur Joseph Conrad werkte, wierp hem dat in een diepe depressie. Zijn laatste reisboek, Storm, dateert alweer van 2004. Hij lijkt niet uit te zien naar de aanstaande confrontatie met het lege vel.
‘Een depressie is vreselijk, je kunt niets doen. De angst ervoor komt nog wel eens terug. Maar dat had ook te maken met het consumeren van enorme hoeveelheden amfetaminen en coke. Dat heb ik allemaal opgegeven toen ik op Stad Amsterdam kwam, ik mocht niets verbodens het land uitvoeren. Gedwongen afgekickt.’
‘De Beagle redde mijn leven, denk ik. Ik heb ze gek genoeg nooit gemist, de drugs. Maar dat kan nog komen, wanneer ik weer moet gaan schijven. Voor mij is het schrijfproces zo’n intense ervaring, ik kan het ook alleen ’s nachts. Dat is biologisch gezien ook logisch, wat moet een man overdag doen? Achter bizons aan, ze van een klif jagen. Maar ’s nachts gaat dat niet. Dat is het moment dat alle boeken tot leven komen en het woord tot je richten: in het donker.’

Marijn vertelt dat ze op zoek zijn naar een nieuwe Pelican House. Zou die in Almere kunnen staan? Van de opbrengst van een zeldzame Darwin-editie kunnen ze hier misschien wat kopen. Redmond betwijfelt het. ‘Probleem is, mijn boeken zijn ook weer niet zoveel waard. Sommige wel, een eerste druk van The Descent of Man brengt 40.000,- op. Maar ik was er in aan het lezen toen we Port Phillip Bay binnenvoeren en een windvlaag een paar losse bladzijden meenam. In een keer ging het boek van 40.000 naar nul euro. En in andere speciale drukken heb ik overal aantekeningen gemaakt.’

Een huis in Amsterdam is in elk geval onbetaalbaar voor ze. Marijn vraagt zich af of Drenthe misschien een optie is… Redmond slaat op de tafel. ‘Of Friesland! Dat kunnen we lid worden van het meesterras en de wereld runnen. Maar dan zal je wel je schaamhaar blond moesten verven, darling, ben ik bang. Doen we nog een laatste wijntje?’