Hartenstraat

Boekversie van de populaire romantische komedie (2014, 395 000 bezoekers), gebaseerd op het scenario van Judith Goudsmit.
220 pagina’s, uitgeverij Mistral

Hoofdstuk 1

Iedere wereldburger vindt de vrouwen uit zijn eigen stad het mooist, maar Daan weet het zeker. Het moet statistisch aantoonbaar zijn dat in Amsterdam meer aantrekkelijke dames rondlopen dan waar ook ter wereld. Daan zit op de kademuur van de Keizersgracht en ziet hoe schuin aan de overkant een Amsterdamse blondine haar bakfiets over de steile brug stuurt. In elk geval zijn ze langer dan waar ook ter wereld. Jezus, die meid moet wel haast 1.90 zijn.
‘Pap, denk je aan?’
De enige vrouw in Daans leven onderbreekt zijn overpeinzing. ‘Eh, niks schat, ik keek naar de zwanen.’
‘Dat is een koppel,’ zegt zijn dochter met de stelligheid die je hebt op je achtste. ‘Als zwanen verkering met elkaar krijgen, dan blijven ze altijd bij elkaar.’ En triomfantelijk: ‘Zwanen scheiden niet.’
Saar is verstandig genoeg om er niet gelijk achteraan te roepen: ‘In tegenstelling tot sommige mensen.’ Ze weet best dat als het aan haar vader had gelegen, hij nog steeds getrouwd zou zijn.
‘Echt, liefje, voor altijd?’
‘Ja echt. En wist je dat als een van de zwanen doodgaat, de ander ook vaak doodgaat? Van verdriet.’
‘Nee, dat wist niet.’ Hemel, waar haalt ze al die feitjes toch vandaan? Hij staat wat onhandig op, de stenen kade heeft hem een houten kont gegeven.
‘De winkel moet open, poppie. Wil jij alvast een expreszo’tje voor paps halen? Ons apparaat is nog steeds kapot.’ Een hopelijk drukke maandag kan beginnen. Saar is al bijna halverwege de Hartenstraat als Daan haar nog naroept. ‘En een koffie verkeerd voor Aart!’
‘Weet ik toch!’

Ingeklemd tussen Raadhuisstraat en Leidsegracht vormen de 9 Straatjes de leukste vierkante kilometer van de hoofdstad. Een vriendelijk doolhof van smalle straten vol pandjes die in de loop van driehonderd jaar voorzichtig naar elkaar toe zijn gaan staan. Zelfs de naam van de buurt heeft iets vertederend. De Pijp, Watergraafsmeer: hoe romantisch klinkt dat? Maar spreek ergens af ‘in de 9 Straatjes’ en je date is al half geslaagd.
Het is een hele prestatie om de meest geliefde koffiebar van de 9 Straatjes te zijn. In een stadsdeel waar de horeca elkaar naar het leven staat moet je echt wel iets bijzonders bieden om populair te worden. Toch is Kaldi precies wat de naam belooft: hot. En dat al jaren. Het scheelt dat de tent gerund wordt door twee mannen die samen zo’n beetje elke potentiële klant kunnen verleiden. Jacob is de rust zelve, een aantrekkelijke, slanke dertiger met een ietwat droeve oogopslag en een volmaakt gevoel voor stijl. En Rein, tja, Rein is gewoon een echte relnicht die zelfs met de paus zou flirten als die een latte macchiato kwam bestellen. Hij zou waarschijnlijk nog scoren ook. Saar kijkt met de onbevangen ogen van een achtjarige en ziet gewoon twee schatten van kerels.
‘Hai Saartje, koffie voor pappa en meneer Aart?’ Rein vindt Aart een beetje vies, net als die mopperende vrijgezel van de kindertelevisie. Hij begint melk te schuimen.
Saar knikt en graaft druk in haar groene parka, maar Rein wuift het muntgeld weg. Hij weet dat Saars vader bij lange na niet de klandizie trekt die zij elke dag langs zien komen.
‘Hoe gaat het met je spreekbeurt?’ Jacob onthoudt altijd zulke dingen, nog een reden voor het succes van zijn zaak.
‘Ja, wil je mijn vleugeltjes nog lenen?’ Rein wijst op een stel sneeuwwitte veren vleugels die de muur van Kaldi versieren. ‘Zijn nog van de laatste gay pride. Ik was zo’n stout engeltje!’
‘Je was vooral een heel high engeltje,’ zegt Jacob zachtjes, en glimlacht bij de herinnering. Saar hoort niks, ze staart gebiologeerd naar de donzen vleugels.
‘Zijn die van een echte zwaan?’ Ze zucht bij het idee, en gaat op haar tenen staan om de kunststof veren te kunnen aaien.
‘Nou…’ begint Jacob, maar voordat hij zich er een weg uit weet te praten, valt zijn oog op de broek van Rein.
‘Heb je nou mijn G-Star aan?’
‘Liefje, alles zit in de was!’
‘Ja, en op de wasmachine zit een knop. Staat ‘aan’ op. Moet je ook eens op drukken.’
Rein rolt zijn ogen, knipoogt naar Saar en stopt de bestelling snel in een bruine papieren zak. Hij buigt zich voorover naar het meisje.
‘Er zit helemaal geen knop met ‘aan’ op. Er staat gewoon ‘start.’ En richting Jacob: ‘En ‘stijven!’’ Hij proest het uit. Zijn vriend kan niet anders dan meedoen.

Volgens sommige mensen schuilt in het succes van de 9 Straatjes meteen het grootste gevaar voor de buurt. Ooit waren de smalle stegen onderdeel van een van de armste wijken van Amsterdam. Een volksbuurt is het allang niet meer, maar nog tot vrij recent konden ondernemers een ruimte huren tegen een prijs waar je op de Nieuwendijk net een paskamer voor zou kunnen inrichten. Het aanbod van gezellige boetieks en sfeervolle speciaalzaakjes hebben de 9 Straatjes tot een winkelparadijs gemaakt, fameus tot over de landsgrenzen. Met als gevolg oplopende huurprijzen. Nu nemen steeds vaker modeketens de plek in van kleine zelfstandigen. Maar ze zitten er nog steeds. De fourniturenwinkel, het messenparadijs, de poppendokter.
Aart is er ook zo een. Hij is misschien wel de kleinste zelfstandige in heel de 9 Straatjes. Zijn antiekwinkel Toen & Nu heeft een omzet die je zou verwachten in een stille tuinwijk, niet in het bruisende hart van de hoofdstad. Het is dat Aart zijn eigen huisbaas is, anders had hij allang plaatsgemaakt voor een jeans store of een kookwinkel.
In de overvolle zaak kan eigenlijk niemand uit de voeten, daarom zit Aart vaak bij Daan. Heel vaak bij Daan. Soms wel eens lastig, maar meestal gezellig, of gewoon heel handig. Zoals vandaag.
‘Zal ik je even naar school lopen?’ Aart drinkt het laatste slokje koffie uit zijn beker, en geeuwt hartgrondig. ‘Kun je mooi onderweg je spreekbeurt even oefenen.’ Saar springt op, slaat haar armen om de benen van haar vader en drukt hem even heel stevig tegen zich aan. ‘Dag pap!’
‘Tot vanmiddag, lieverd, word je nóg een beetje slimmer vandaag?’

Bij de Keizersgracht aangekomen slaan Aart en Saar linksaf en lopen zuidwaarts. ‘Wist je dat er in de zeventiende eeuw zoveel mensen in Amsterdam kwamen wonen, dat ze er de 9 Straatjes bij moesten bouwen?’
Saar weet het, maar ze luistert graag naar Aarts verhalen. Volgens hem zijn er amper Amsterdammers die de negen uit elkaar kunnen houden, maar hij kan ze blind aanwijzen. Als ze door de smalle straten lopen, kan hij het nooit laten hun herkomst te duiden.
‘In de Huidenstraat werden huiden gelooid.’
‘Wat deden ze dan in de Hartenstraat?’
‘Harten is oud-Nederlands voor herten. Hier werden de herten gevild die jagers hadden geschoten. Net als in de Reestraat.’ Een blik op het meisje en Aart snapt dat ze dit stukje informatie liever niet had mee gekregen. Hij haast zich te vertellen dat in de zeventiende eeuw de natuur al aan het einde van de straat kon beginnen. ‘Reeën, dat waren een beetje de eekhoorns van die tijd. Vandaar ook Wolvenstraat: zelfs de wolf was heel gewoon in Nederland, driehonderd jaar geleden.’
Ze steken het water van de Keizersgracht over. Saar kijkt omhoog als ze het bordje met Runstraat passeren. ‘Dat is dan zeker ouderwets voor Rund,’ zegt ze blij. Aart glundert, hij zag dit al aankomen: ‘Mis! Een run is een stuk boomschors, daar werden vroeger de huiden mee gelooid.’
Saar is inmiddels in gepeins verzonken. De 9 Straatjes zijn een complete wijk van verdwenen beroepen en vergeten ambachten. Er is niemand die nog huiden looit, en een wolf heeft zich Amsterdam al in geen eeuwen meer laten zien. ‘Wat gingen al die mensen doen toen de wolven waren uitgestorven? Toen zaten ze zonder werk.’
Aart voelt aan waar haar gedachten zijn. ‘Amsterdammers zijn handige mensen, die vinden altijd iets om te doen.’ Hij pauzeert. ‘Ook je vader, Saar.’